
EEN VAN MIJN ALLERMOOISTE PROJECTEN: Alles moet kloppen, anders zal de topsporter zijn doel niet bereiken. Zo is het ook met handhaving. En dan gaat het niet alleen om inhoud en kennis; het gaat ook om talent, plezier en wilskracht. Wat kunnen wij verder leren van de topsport?
We organiseerden in opdracht van het LOM het handhavingscongres 2006 in het Hart van Holland in Nijkerk. Voor het eerst werken we met een dynamische website; groeiend, enthousiast en superinteractief.
En het werkt. Er komen meer dan duizend (!) deelnemers (streven was vooraf 650 ...). Ook op de dag zelf loopt het nog storm. Veel mensen schrijven zich pas bij de balie in. Bij de opening moeten er nieuwe stoelen bij geplaatst worden ...De opening van Marcel Rözer bestaat uit geweldige beelden uit de topsport met begeleidend commentaar die de link leggen met talent, wilskracht en plezier. De Homo Ludens, de spelende mensch heeft ons aangezet om PLEZIER in het leven te houden.
De warming-up bestond uit voorafgaande interviews met 'De beste handhavers van Nederland' die het programma op scherp hebben gezet met o.a.Paul de Krom Handhavers moeten niet met geneuzel aankomen, want dan grijpen wij in
Guus Krähe Uiteindelijk een kamerbrede meerderheid voor verplichte milieudiensten
Gerd Leers Handhaven begint bij regels
Bert Pannekeet Milieu-inspecteur, een uitstervend vak?
Herbert Dekkers Teveel handhavers willen te graag aardig gevonden worden.
John Visbeen We willen de ramp voorkomen die net gebeurd is
Ruud Vis We doen toch allemaal min of meer hetzelfde
Rob Ernes Handhaven is koorddansen bij windkracht 10
Roel Willekens Je moet politiemensen geen Skoda verkopen
Wilma Speller Evidence-based handhaven, daar gaat het om!
"Handhavers moeten niet met geneuzel aankomen, want dan grijpen wij in."
Naam: Paul de Krom
Functie: Lid Tweede Kamer voor de VVD
Leeftijd: 43
Het bijna laatste interview, nu met tweede kamerlid Paul de Krom van de VVD, doen we buiten op het terras, juist tegenover de ingang van de Kamer. Want de beveiligingsmaatregelen zijn streng en één van ons heeft zijn legitimatiebewijs vergeten. En dan kun je ook vergeten dat je binnenkomt tegenwoordig. Maar dit terras is een prima plek, zeker met deze schitterende nazomer. Terwijl bekende kamerleden langs ‘flaneren’. (We zien Eerdmans en Van Haersma Buma). Het wordt al wat frisser, maar gelukkig gaat de terrasverwarming aan. En daar komen we in dit interview nog op terug in verband met een discussie over de verruimde reikwijdte. Een onderwerp waarmee we onze gespreksgenoot gemakkelijk op het puntje van zijn stoel krijgen, zo zal tijdens het interview blijken.
Laten we maar gelijk beginnen met de motie Aptroot. Legt u nog eens uit.
“Wat je moet doen is dat je terugredeneert. Daar heb je de klant, degene die wordt gecontroleerd. En die wil je effectief, maar zo weinig mogelijk lastig vallen. De indruk die we hebben, is dat het nu heel ineffectief gebeurt. Ik spreek ondernemers die zeggen geen bezwaar te hebben tegen controle, want handhaving is goed. ‘Maar,’ zeggen ze vervolgens, ‘waarom moet ik zo veel en zo vaak dezelfde gegevens aanleveren? En waarom krijg ik zoveel verschillende inspecties over me heen?’
Dus ik vind dat wij de overheid anders moeten organiseren. Niet van binnen naar buiten, maar van buiten naar binnen. Dus met andere woorden: één loket. Dat is de gedachte achter de motie van Aptroot. Dat als je controleert, je dat ook zo effectief mogelijk doet. Dat lijkt me voor de mensen die de controle doen prettig, maar dat lijkt me ook voor de mensen die onderwerp zijn van die controle.”
Aptroot gaat daar heel ver in, of niet?
“Aptroot gaat ver; want als je daar niet ver in gaat, gebeurt er ook helemaal niks.”
Maar we hebben toch ook de professionalisering?
“Ja maar dat is kwaliteit. De motie Aptroot gaat uit van een heel andere gedachte. Die gaat over effectiviteit. Dat is toch wat anders. En je moet natuurlijk allebei doen.”
Moeten we niet toch naar milieudiensten toe?
“Ik vind het DCMR model een mooi model. Daar zit ontzettend veel expertise. En die hebben ook voldoende volume om die mensen allemaal in huis te halen. Ik weet ook dat de DCMR als model en als dienst door de bedrijven in Rijnmond heel hoog wordt aangeschreven. Ik zou er voorstander van zijn als dat model in andere delen van het land navolging zou vinden.”
Krijgt u dan geen ruzie met u lokale milieuwethouders, die geen milieudiensten willen?
“Ik ga dit ook helemaal niet van bovenaf opleggen. Maar ik zou het wel verstandig vinden. Het is ook in belang van die lokale wethouder dat er effectief wordt gehandhaafd. Dat is in het belang van het bedrijf, maar ook in het belang van de wetgeving. Bij kwaliteit heeft iedereen belang. Dus als ik wethouder zou zijn van een relatief kleine gemeente en ik kan al die expertise niet in mijn eigen dienst onderbrengen, dan zou ik zoeken naar andere mogelijkheden om gebruik te kunnen maken van de expertise. Maar ik zou er zeer voor willen waken om dat allemaal weer van bovenaf op te leggen. In Rijnmond heeft ook niemand het opgelegd.”
Maar daar zit ook veel industrie.
“Ja dat helpt natuurlijk. Ik zeg ook niet dat het DCMR model een op een overal zomaar kan.”
We zien ook nu nog milieudiensten en soms omgevingsdiensten ontstaan. Maar er zijn ook een hoop gemeenten die willen daar niet aan. Toch wilt u het niet verplichten?
“Ik zou het liefste zien dat het van onderaf groeit. Want dan heeft het ook draagvlak. Overigens hebben we wel een stok achter de deur opgenomen in de wet. De provincies kunnen aanwijzingen geven. Maar ik vermoed dat die aanwijzing uiteindelijk niet nodig is. De noodzaak is er, dus ik verwacht dat het vanzelf zal gaan. Want er zitten nogal wat gaten in de handhaving hier en daar. En het kan op verschillende manieren. Vanuit Den Haag hier moeten we een beetje oppassen om van een model te zeggen: ‘Dit is het, jullie moeten het allemaal zo doen."
Als de ene regio wel voor een dienst kiest en de andere regio niet, wordt het dan niet nog veel meer een lappendeken?
”Wat hier meespeelt zijn die koninkrijkjes. Maar waar gaat het nu om? Het gaat om de effectiviteit en kwaliteit van de handhaving en dan moet je wel heel goede argumenten hebben om je eigen koninkrijkje te laten voor wat het is. Je moet redeneren vanuit het maatschappelijk belang en de vraag vanuit bedrijf en burger. Dat maakt het werk toch ook veel leuker. Het is vooral ook een kans voor de mensen die in de handhaving werken.”
Is het een politiek thema?
“Ja. Want er zitten gaten in de handhaving. Het hangt samen met de regels. Als je minder vergunningen krijgt, minder regels krijgt. Als je gaat van een low trust naar een high trust samenleving, moet je ook zorgen dat die wetten zo eenvoudig zijn, dat iedereen het kan volgen. De keerzijde is dan wel, dat als je je er niet aan houdt, je ook zeker weet dat je wordt gepakt. En flink ook. Ik vind dat dit een soort tweeslag is. Weg met al die vergunningen, met al die regels die niemand begrijpt, waar er toch veel te veel van zijn. Het zijn er zoveel dat je bijna niet meer van mensen kunt verwachten dat ze dat allemaal bijhouden. Maar de keerzijde is dan wel, dat als je wordt gepakt, dat je dan ook flink hangt. Je moet het een doen en het ander niet laten. Anders loopt het model scheef. Want handhaven is belangrijk.”
Moeten handhavers bang zijn voor hun baan?
“Dat is redeneren uit angst. Ik zeg, zie het vooral als een kans.”
Maar zo zullen handhavers het niet voelen.
Fel nu. “Ja maar ik hoef ze toch niet na te praten? Als je je hakken in het zand zet en je verzet tegen veranderingen, ja dan kun je niet mee. Dat geldt voor mij hier ook. De wereld verandert en je moet mee veranderen. We constateren dat er ontzettend veel weerstand is in de maatschappij op het gebied van milieu en bouwregelgeving. Dat slaat helemaal dood bijna, zo erg is het. Er is ontzettend veel weerstand tegen al die overheidsdiensten die zich maar helemaal kapot lopen te controleren overal. Het is in het belang van de handhavingdiensten zelf om daar doorheen te breken. Dus als je je werk beter doet en meer wordt gewaardeerd door de mensen die je bedient, jouw werk vooral ook leuker wordt. Maar het betekent wel dat je mee moet willen. De omgeving verandert en je moet mee. Dat geldt voor bedrijven, dat geldt voor de overheid.”
Dus je zegt: ‘Handhavers pak het vooral zelf op?’
“Wij hier in de kamer zijn geen expert. Ik vind dat men, en niet alleen op dit vlak, veel te veel naar Den Haag zit te kijken. Maar jongens, jullie zitten bij de mensen waar het om gaat. Jullie weten toch hoe het beter en effectiever kan.”
Wij hebben het idee dat handhavers er ook niet op zitten te wachten dat Den Haag zich er mee bemoeit.
“Maar organiseer het dan wel fatsoenlijk, zodat ik al die klachten niet hoor! Dat moet je dan wel doen. Wat ik altijd voor ogen heb zijn de ondernemers die hun zaakjes goed voor elkaar hebben. En dat zijn gelukkig de meesten. Die ondernemers hebben er belang bij dat er goed wordt gehandhaafd. Omdat het anders een concurrentienadeel in de markt is.
Als jij als dienst de handhaving goed uitvoert, op een effectieve manier, dan wordt jouw bestaansrecht alleen maar groter. Wat je nu hoort van ondernemers is dat ze eindeloos worden lastig gevallen met pietluttige dingen. Daar kun je mee doorgaan, maar uiteindelijk loopt dat spaak. Dus jongens, organiseer het zelf, doe dat nou, want dat is veel beter dan dat wij dat in Den Haag gaan doen.”
De motie Aptroot geldt alleen voor de Rijksinspecties.
“Maar als de rest achterover leunt en denkt: ‘Het zal mijn tijd wel duren’, en de signalen uit de markt van bedrijven blijven hetzelfde, dan kan ik je garanderen dat het niet lang duurt. Dit klinkt bedreigend, maar zo is het wel.”
Wij zien ook veel gemeenten die hier mee bezig zijn.
“Ja dat is wel zo maar de tijd dringt. Want wij willen van die deken van regels en controles af.“
Veel milieumensen vinden het jammer dat regels over de verruimde reikwijdte uit de Activiteiten AMvB zijn gehaald. We wijzen naar de terrasverwarming. Dat zou binnen de huidige regels eigenlijk niet mogen. Dat is nog wel een discussie ... (Nu hebben we de heer De Krom echt op het puntje van zijn stoel gekregen …)
Nou voor mij niet hoor. Dat zijn geen discussies. Het is toch bezopen dat je in Amsterdam een vergunning kunt krijgen voor een terras maar die dingen (terrasverwarming) niet meer mag ophangen. Wat ben je dan in godsnaam aan het doen? Zo worden mensen dus gek.”
Je moet toch wat om de CO2-uitstoot terug te dringen.
“Wij willen van die deken van regels af en dat betekent dat je radicaal moet zijn. Anders kom je er niet doorheen.”
Maar je moet ook je Kyoto doelstelingen halen.
“En je gaat mij vertellen dat dat helpt? Kom nou toch. Dat is zo’n flauwekul. Als ik jou vertel hoeveel ondernemers ook met milieu bezig zijn tegenwoordig. Maar ondertussen worden geremd door de regels van de overheid. Het draagvlak voor het milieubeleid wordt zo ondermijnd. Niet alleen voor de ondernemers, ook voor de burgers. Als ik een boom in mijn tuin plant, dan is dat mijn boom in mijn tuin. Moet ik dan naar de gemeente om een kapvergunning te vragen als ik hem weer kwijt wil? Dat is toch bezopen? Dat is toch niet meer uit te leggen, jongens. Laten we nou even reëel zijn. Handhavers moeten beseffen dat men hier in de Kamer dingen anders wil. En ze kunnen de hakken in het zand zetten maar dan gaan we er dwars door heen. En het is in hun eigen belang, want ze gaan het draagvlak verliezen. En dat is al hard aan de gang.“
Koos Meijer
Herman Jansen
"Ik verwacht uiteindelijk een kamerbrede meerderheid voor verplichte milieu- of omgevingsdiensten"
Naam: Guus Krähe
Functie: Lid Tweede Kamer voor de PvdA
Leeftijd: 38
Het is spannend om in het gebouw van de Tweede Kamer te zijn. Het is een VIP show van bekende politici. Wouter Bos steekt het plein voor de ingang over, vlak naast je in de lift staat Nebahat Albayrak. Goed om hier eens te zijn. In dit gebouw worden belangrijke beslissingen genomen, die van invloed zijn op de praktijk van de handhaver. Door mensen die maar beperkt onze handhavingpraktijk (kunnen) kennen. We moeten ze toch eens vaker uitnodigen.
Maar vandaag hebben we geluk. We spreken met Guus Krähe, die zelf clusterhoofd Handhaving was bij de gemeente Waalwijk. En sinds zijn binnenkomst in de Kamer gelijk twee moties indiende. Een stimuleringsregeling voor scholing op het gebied van integrale handhaving. En een lijst op internet met de mate waarin gemeenten voldoen aan het adequate niveau.
De letterlijke tekst van de moties:
Motie scholing integrale handhaving
- constaterende dat diverse gemeenten en provincies naar aanleiding van de professionalisering inmiddels zijn overgegaan tot integraal uitvoeren van handhavingsbezoeken op het terrein van milieu, bouwen, veiligheid en APV;
- constaterende dat kennis bij veel gemeenten de beperkende factor is bij de invoering van integrale handhaving vanwege het feit dat opleidingen nu nog steeds sectoraal zijn georganiseerd;
- overwegende dat integrale handhaving een bijdrage kan leveren aan het efficiënt werken van gemeenten (en provincies) en tevens een tijdsbesparing en minder administratieve lasten voor ondernemers oplevert;
- overwegende dat circa 50.000 bedrijven in het mkb gebaat zijn bij integrale handhaving door gemeenten en dat door het mkb reeds is aangegeven dat dit het minste profijt heeft van de maatregelen zoals deze door het kabinet zijn genomen;
- van mening dat om de voorgaande redenen gemeenten gestimuleerd zouden moeten worden om integrale handhaving in te voeren;
- verzoekt de regering te komen met een regeling met als doel om- en bijscholing op het gebied van integrale handhaving te stimuleren
Motie ‘digitale schandpaal’
- constaterende dat na vele jaren van begeleiding door de VROM-Inspectie en van financiële ondersteuning een aantal gemeenten nog niet in staat is om hun handhavingstaken op adequaat niveau uit te voeren;
- overwegende dat inwoners van gemeenten en provincies recht hebben op informatie over kwaliteit van de uitvoering van de gemeentelijke en provinciale handhavingstaken;
- overwegende dat het openbaar maken van de onderzoeksgegevens en de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering een bijdrage kan leveren aan een verbetering van de voorgaande twee punten;
- van mening dat na de peen (subsidie) en de preek (voorlichting) nu ook voor gemeenten de zweep (druk uitoefenen) dient te worden gehanteerd;
- verzoekt de regering om vóór 1 januari 2007 een lijst op internet te publiceren van alle gemeenten en provincies met daarbij de mate waarin zij voldoen aan een adequaat handhavingsniveau en deze regelmatig te actualiseren
Guus Krähe licht zijn moties nader toe.
“Ik heb ooit al eens gezegd dat het handhavingsbeleid bij sommige gemeenten nog teveel wordt bepaald door de buurman van de wethouder. Ik wil graag dat het debat over handhaving terugkomt bij de gemeenteraad. Op dit moment is er geen goede besluitvorming en is handhaving vaak de sluitpost van de begroting. De rapportages van de inspectie komen nooit bij de gemeenteraad. Op zich ook terecht omdat het teveel over uitvoering gaat. Daarom heb ik een digitale schandpaal voorgesteld om de discussie te starten. Dat kan door het onderling vergelijkbaar maken van de rapportages van de inspectie. De lijsten kunnen op een site van de VNG worden gepubliceerd. ”
Heb je dan geen vertrouwen in het professionaliseringstraject?
“De professionalisering is heel leuk, maar ik weet ook hoe het in de praktijk gewerkt heeft. Kwaliteit moet tussen de oren zitten, anders wordt het een papieren tijger. Kleine gemeenten met beperkte capaciteit voor handhaving hebben bijvoorbeeld een halve formatieplaats voor milieuhandhaving. En die halve handhaver is straks de helft van de tijd bezig om de papieren op orde te houden. Dan zou je die handhaver eigenlijk liever op straat zien. Maar dan niks meer doen aan professionalisering? Dat is wel een dilemma. Ik denk dat je gewoon een minimale omvang nodig hebt om je handhaving financieel gezien vorm te kunnen geven.”
Maar kleine gemeenten hebben toch ook kleine problemen?
“Maar je kunt je ook voorstellen dat je als kleine gemeente een groot probleem hebt en dan ben je daar ook het hele jaar mee bezig. Aan handhaving kom je verder niet toe. Het is gewoon inefficiënt, zonde van het geld.”
U heeft in de kamer ook gezegd “Geef integrale handhaving een kans”.
“Dat klopt, maar ik denk wel dat je als Rijksoverheid daar in moet sturen. Mijn collega’s van de andere grote partijen in de kamer zeggen: ‘Laat dat nou aan de gemeenten over. Dat is geen verantwoordelijkheid van het Rijk.’ Maar lokaal gebeurt er gewoon niets. Er moet een druk zijn, bijvoorbeeld via de gemeenteraad met hulp van een digitale schandpaal. Zo organiseer je van onderuit, via de burgers en de gemeenteraad een tegenmacht om toch wel wat te doen aan de handhaving. Handhaving is alleen maar lastig voor iedereen. Voor de bedrijven en voor overheid. Maar het heeft wel te maken met geloofwaardigheid van het beleid.”
Over het politieke debat op 2 november: Is daarvan de uitkomst dat we toch naar milieudiensten moeten?
“De PvdA was altijd al wel een beetje voor milieudiensten. Laat die professionalisering eerst maar eens zien. En er zijn natuurlijk altijd weer goede voorbeelden van gemeenten die het wel goed doen. Dat kan. Maar ik denk dat er echt te veel gemeenten overblijven die te klein zijn om zelfstandig die handhaving ter hand te nemen.”
Is handhaving wel een politiek issue?
“Ik weet niet of het echt een issue is of wordt. Ik denk dat er gewoon een meerderheid voor in de kamer is. Ik verwacht dat het mogelijk gekoppeld zal worden aan de omgevingsvergunning. Integrale handhaving moet je zien als kans. Maar ik denk ook dat er een hele hoop gemeenten op gaan vastlopen.”
Guus tekent een proces van de omgevingsvergunning. De aanvraag komt centraal binnen en verschillende ambtenaren maken een stukje en vervolgens gaat de vergunning er weer uit.
Guus Krähe: "Heel Nederland wil een handhaver die heel integraal werkt met alle kennis op alle terreinen. Dat zijn de integrale specialisten. Waar ik bang voor ben, is dat we straks een integrale vergunning hebben. En Pietje gaat vervolgens controleren. Maar Pietje controleert alleen een stukje. En Klaasje controleert dit stukje. En dat andere deel doen we nog maar even niet. En vervolgens gebeurt er een ramp. En dan zeggen ze: ‘Ja, de gemeente heeft alleen maar dit stukje gecontroleerd. En hiernaar hebben ze niet eens gekeken. Nee, dat was volgend jaar aan de beurt.’ Volgens mij krijgen we zo een grote chaos. En hoe kleiner je bent als gemeente, hoe lastiger het wordt.”
Zie je alleen problemen voor kleine gemeenten?
" Nee, het wordt ook lastiger naarmate je groter bent. Ingewikkelder, hoe meer mensen betrokken raken, hoe meer problemen. Ik hoorde van een metaalverwerker in Nijmegen, waar een integrale controle was gedaan. Twaalf mensen stonden tegelijkertijd bij hem op de stoep. Hij zei: ‘Ik had niet eens genoeg stoelen!’
"Hoe breed kun je een handhaver opleiden? Daar zit de beperkende factor. Het is al een hele kwaliteitsverbetering als in de bouwfase nu milieuzaken meegenomen gaan worden. Maar ook het vraagstuk van de organisatie, daar gaan we de komende jaren tegen aan lopen. Bij het bedenken van de omgevingsvergunning is nog niet nagedacht hoe de handhaving dan vormgegeven moet worden. We moeten dan denk ik ook meer naar activiteitengerichte handhaving. We moeten dan wel eerst de Inspectie Milieuhygiëne gaan veranderen, want die tellen nog steeds. “We hebben die en die projecten uitgevoerd. Ja maar hoeveel integrale controles hebben jullie dan gedaan? Nou, geen een.”
We geven het voorbeeld van Dordrecht die een soort omgevingsdienst op afstand wil gaan opzetten.
" Ik verwacht dat we daar wel naar toe moeten. Maar dan wel handhaven op activiteiten. We gaan bijvoorbeeld bij alle bedrijven controleren op gevaarlijke afvalstoffen. Dat betekent dat je andere dingen niet bekijkt, wat overigens voor veel handhavers nog wel moeilijk te accepteren is.”
Zijn er ook gevaren bij een omgevingsdienst op afstand?
⃞ De bestuurlijke feeling met handhaving wordt kleiner. Maar hoe erg is dat, als 95 procent van de zaken niet of nauwelijks ‘bestuurlijk gevoelig’ zijn. Er moet bijvoorbeeld wel een goede koppeling komen voor het vestigingsbeleid. Verder zie ik op dit moment nog alleen maar voordelen.”
Naam: Gerd Leers
Functie: Burgemeester Maastricht
Leeftijd: 55
Burgerlijke status: Getrouwd, drie dochters
Relatie met sport: Hij zou nog graag de tijd vinden om eens een marathon te lopen.
Vrijdenker
We zitten in de hal van het prachtige stadhuis van Maastricht te wachten als plots de deur van de burgemeesterskamer opengaat en een Duitse filmploeg naar buiten komt. ‘Waar gaat dit over?’ vragen we de cameraman die bezig is zijn camera in de hal op te stellen. ‘Cannabis,’ luidt het antwoord. Ach ja, dat hadden we kunnen raden.
Gerd Leers staat internationaal bekend als een van de weinige bestuurders die een soepeler beleid op het gebied van softdrugs bepleit. Op zijn weblog legt Gerd Leers in vier talen uit hoe hij over de legitimering van de cannabisteelt denkt. ‘Nu zijn we eenderde van de politie-inzet kwijt aan iets te bestrijden wat niet te bestrijden valt, omdat we het een vaste plek in onze samenleving hebben gegeven: cannabisteelt. Alles wat we neerslaan, komt op een andere plek weer terug. Als we nu de aanvoer naar de gereguleerde shops uit de handen halen van de mafia, door het bij bonafide kwekers te leggen, is het overgrote deel van het probleem opgelost. Dan kunnen we de politie-inzet concentreren op de laatste resten illegaliteit. Dat is veel effectiever.’
Het siert Gerd Leers dat hij een eigen standpunt durft in te nemen, ook al is dat voor de landelijke politiek onbespreekbaar. Het siert hem nog meer dat dit standpunt ook nog eens indruist tegen de filosofie van zijn eigen politieke partij. Het toont aan dat hij een vrijdenker is.
Handhaven is Topsport!
Maar we komen niet om met Gerd Leers over de cannabisteelt te praten. We gaan het hebben over de milieuwethandhaving. Eens kijken of hij daar ook een uitgesproken mening over heeft ...
We leggen uit dat dit gesprek in het teken staat van het congres van 2 november. ‘Handhaven is inderdaad topsport, daar ben ik van overtuigd,’ zegt Leers.
‘Het is vaak een vergeten onderdeel in het beleid. De politiek lanceert met veel plezier allerlei wetten, maar de vraag hoe die wetten moeten worden gehandhaafd, vindt men minder interessant. Je moet eens zien hoe vaak kamerleden, en ook bestuurders, burgemeesteres en wethouders nieuw beleid lanceren, terwijl bestaand beleid met betere handhaving of met een vernieuwde aanpak misschien zes keer effectiever zou zijn. Maar dat is dan blijkbaar niet interessant. Handhaven is topsport omdat je er veel meer voor moet doen dan voor het bedenken van nieuwe regels. Handhaven vereist ook meer samenwerking, precisie, nuancering en leiderschap, in de zin van grenzen durven stellen.
In handhaving zit een discretionaire ruimte. Moet ik hard optreden of kan ik het in dit geval door de vingers zien? Daardoor roept handhaven snel emoties op en daar moet je mee weten om te gaan. Handhaven zou geen topsport zijn als het alleen maar gaat om het bewaken van grenzen. Dan was het simpel. Dan kun je net zo goed een robot neerzetten. Maar het gaat er juist om ruimte te bieden waarin mensen zich vrij kunnen bewegen. Het is zoeken naar de juiste maat. Het moet proportioneel zijn, nooit disproportioneel. En daarin het juiste evenwicht vinden, vereist inlevingsvermogen, betrokkenheid en doorzettingsvermogen. Maar de handhaver moet wel op het juiste moment kunnen zeggen: ‘En nu is het afgelopen. Tot hier en niet verder.’’
Discretionaire ruimte
Kunt u een voorbeeld geven van het toepassen van die discretionaire ruimte?
‘Een bewoner van Vinkenslag had zonder vergunning zijn tuin ommuurd, een zwembad aangelegd en een houten trap van de tuin naar de woonwagen vervangen door een stenen trap. We hadden nu juist afgesproken dat er op Vinkenslag niets meer kon worden gebouwd zonder vergunning. We hebben de man gesommeerd alles af te breken. Die man weigerde dat. We hebben hem vervolgens twee weken de kans gegeven actie te ondernemen en gedreigd dat, als hij het niet deed, de gemeente Maastricht het zou komen doen op zijn kosten. Uiteindelijk ging de man akkoord met het afbreken van de omheining en het zwembad. Hij merkte wel dat het ons menens was. Maar hij vroeg ook of hij de stenen trap mocht houden. Ik heb gebruikgemaakt van de discretionaire ruimte en hem de stenen trap laten houden. Ook met het oog op het feit dat binnen afzienbare tijd het hele gebied op de schop gaat. Ik ben ervan overtuigd dat er problemen zouden zijn ontstaan als ik de letter van de wet had gevolgd en hem ook de stenen trap had afgenomen. Dat zou ook, in de geest van de regel, te rigide zijn geweest. Op deze manier blijf je als bestuurder geloofwaardig. Als je dit niet zo oplost, ben je een bureaucraat.’
Leers wijst ons op een column, die hij op 29 juni heeft uitgesproken voor Radio 1. Daarin zegt hij:
‘Het strikt regels toepassen zonder ruimte te bieden voor oplossingen, is een teken van zwakte..... Wie de geest van de wet niet aandurft, neemt zijn toevlucht tot de letter.’
En dat is nu juist wat hij op dit moment te vaak ziet gebeuren. ‘Ik vind dat een bestuurder enige ruimte moet hebben om met regels in de praktijk te experimenteren. Zelfs in een hard asielbeleid, waarin een minister keihard wil handhaven, moet ze gebruik kunnen maken van haar discretionaire bevoegdheid om probleemgevallen, die onbedoeld ontstaan door het beleid, op te kunnen lossen. Het lijkt erop dat minister Verdonk zo bang was van de wet, dat ze angstvallig vasthoudt aan de letter van die wet. En daarmee brengt ze uiteindelijk zichzelf en het kabinet in problemen.’
Hierin herkennen we de visie van Herman Tjeenk Willink, voorzitter van de Raad van State. Hij zegt dat regels altijd zijn gebaseerd op een abstractie van de werkelijkheid. Dat maakt een flexibel omgaan met uitzonderingsgevallen, waar de regel moeilijk op van toepassing is, noodzakelijk. ‘Dat is ook mijn lijn,’ zegt Leers. ‘Paul Schnabel (directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau) heeft ooit gezegd dat goed openbaar bestuur te vergelijken is met een fourwheeldrive. De vier wielen staan voor: richting geven, ruimte laten, resultaten afspreken en rekenschap afleggen. Ook in de handhaving moet je deze vier wielen in de gaten houden.’
We moeten ook denken aan de stelling van Wilma Speller: “Alles is handhaving” Ook de beleidsmaker is handhaver. Als hij of zij zich geen handhaver voelt komt het beleid los te staan van de praktijk en dat is het grote gevaar van de ivoren toren. Vandaar ook de dimensies van de Tafel van Elf. Die gaan niet alleen over toezicht, maar plaatsen juist handhaving in het brede perspectief van hele beleidscyclus (zie interview Wilma Speller).
Moeten gemeenten wel handhaven?
We gooien de discussie over een andere boeg. ‘Moeten gemeenten nog wel zelf handhaven?’ vragen we. ‘Is het niet beter om de handhaving los te koppelen van het lokaal bestuur en te laten leiden door een handhavingsautoriteit in Den Haag?’
‘Nee,’ zegt Leers. ‘Een lokaal bestuurder is verantwoordelijk voor de handhaving in zijn gemeente. Een bestuurder die geen feeling heeft met de vraag hoe zijn beleid in de praktijk uitwerkt, is geen goed bestuurder. Zo’n bestuurder zal nooit goed beleid kunnen ontwikkelen. Zijn beleid komt op zichzelf te staan. Hij krijgt geen feedback uit de praktijk of zijn regels zinvol, rechtvaardig of handhaafbaar zijn. Je ziet dat veel in de Tweede Kamer; mensen die volkomen doorschieten in het lanceren van ideeën. Beleidsontwikkelaars moeten betrokken zijn bij de handhaving van hun beleid. Anders is de kans groot dat dat beleid niet proportioneel is.’
‘Maar,’ gaat Leers verder, ‘om bestuurders en handhavers niet in een moeilijk pakket te brengen, is het verstandig dat je scheiding aanbrengt tussen beleidsontwikkeling en handhaven, tussen bijvoorbeeld evenementenbeleid en het handhaven van de regels voor evenementen. Dat je dat in twee verschillende handen legt om niet in een conflict of interest te komen, kan ik me goed voorstellen. Dat doen we in Maastricht ook in toenemende mate. We hebben één wethouder die belast is met milieubeleidsontwikkeling en het vergunningenbeheer en ik ben belast met de handhaving.’
Wat vindt u van de motie van tweede kamerlid Charly Aptroot, één integrale handhavingsdienst voor bedrijven?
‘Ik ben voor een integrale handhavingsdienst. De organisatie van de handhaving is voor de buitenwereld volstrekt niet meer herkenbaar. Bedrijven spelen gemeente en provincie tegen elkaar uit omdat ze weten dat de verantwoordelijkheid verdeeld is. Dus leg het maar in één hand. Laat de provincie de regie voeren en de gemeente de uitvoering. In Maastricht wordt de handhaving helemaal opnieuw gepositioneerd. Ik wil naar meer samenhang in de handhaving. Als we een onderneming op brandveiligheid gaan controleren, dan kun je heel goed ook op andere zaken controleren. Je moet er dan wel voor zorgen dat die handhavingsorganisatie de kwaliteiten bezit, die dit mogelijk maken.’
Wok-to-go
Het grootste probleem in de handhaving is volgens Leers dat we teveel regels hebben. ‘We barsten van de goede voornemens maar we redden het niet om het in de praktijk waar te maken. Dat komt door de papieren tijgers, de ambtenaren die steeds maar weer nieuwe regels verzinnen. Een voorbeeld. Hier op het plein wil een horeca-ondernemer een wok-to-go beginnen. Ambtenaren handhaven de regel dat hij wel mag verkopen, maar dat er in de zaak niet gegeten mag worden. Want de door de politiek ingevoerde regel is dat we al teveel horeca hebben. Maar wat krijg je nou. Die man schroeft een plank aan de muur en iedereen gaat daaraan hangen om te eten. Wok-to-stand zeg maar. Maar dat mag dus niet. Vervolgens gaan z’n klanten buiten op het plein staan eten. Met alle vervuiling tot gevolg. Dus de regels om die man in zijn ondernemen te beperken, hebben uiteindelijk een averechtse werking. En zo bedenken wij iedere keer weer opnieuw papieren tijgers.’
Het is ons duidelijk: handhaven begint bij de regels.
Milieu-inspecteur, een uitstervend vak?
Naam: Bert Pannekeet
Functie: Directeur milieudienst IJmond
Leeftijd: 49
Burgerlijke status: Getrouwd, drie dochters en (17 en tweeling van 21)
Relatie met sport: Hardlopen, squash, sportschool. Een goede conditie is vanwege zijn cara van levensbelang
Openbaar bestuur leuker dan productie
Bert Pannekeet heeft eerst het gif verkocht, alvorens hij het ging bestrijden. Na zijn studie procestechnologie krijgt hij namelijk een leidinggevende functie bij een verfproducent. Een ernstige luchtaandoening die hij in die tijd oploopt, dwingt hem enige tijd rustig aan te doen. Als hij weer beter is, besluit hij zich begin jaren negentig om te scholen tot milieuspecialist. De studie bevalt hem uitstekend. Als hij de studie heeft afgerond, wordt hij zelf docent. Hij wordt milieubeleidsmedewerker bij de gemeente Stede Broec, daarna milieu-inspecteur bij de gemeente Heemskerk en vervolgens teamleider milieubeheer bij de Milieudienst IJmond. Na het overlijden van de voormalig directeur neemt hij die functie over. Eerst als waarnemer, later definitief. Bert is inmiddels zes jaar directeur. De maatschappelijke betrokkenheid van zijn huidige functie en het werken in het Openbaar Bestuur maken dat hij zich op zijn plek voelt. Hij ziet zichzelf niet meer in een functie waarin hij bij wijze van spreken een pak soep moet verkopen.
Nederland is nog nooit zo veilig geweest
De Milieudienst IJmond is zich aan het oriënteren op de uitvoering van de omgevingsvergunning. Voor 1 juli 2007 komt de milieudienst met een voorstel over een mogelijke opzet van een omgevingsdienst in de regio. Bert wil echter, in tegenstelling tot wat er bijvoorbeeld in Dordrecht gebeurt, geen puur handhavende dienst optuigen om ook toezicht te houden op “hondenpoep en het fietsen in het winkelcentrum”. Het uitgangspunt bij de Milieudienst Zuid Holland Zuid is dat het milieu klaar is en dat veiligheid de hoogste prioriteit heeft. Bert draait het liever om.
Naar mijn idee is Nederland nog nooit zo veilig geweest. Het veiligheidsbeleid is uitgelijnd en wordt goed uitgevoerd. Als je echter kijkt naar de Toekomstagenda Milieu: duurzame energie, klimaat, natuurlijke hulpbronnen, mobiliteit, dan moet er op dat gebied nog veel werk verzet worden. Volgens mij hebben we het dan weer over de uitvoering van de verruimde reikwijdte. Daar hadden we het dertien jaar geleden al over (1993, invoering Wet milieubeheer). Daar is zo blijkt uit onderzoek weinig van terecht gekomen. Er is op dat vlak dus nog heel veel te doen.”
Milieu-inspecteur, een uitstervend vak?
We wijzen hem op de discussie over wat een inspecteur nog aankan in het kader van integrale handhaving. Kan een gemeentelijke milieu inspecteur bijvoorbeeld wel waterlozingen controleren en brandveiligheid? “Laten we er nou eens eerst vanuit gaan dat het wel kan. Een milieu-inspecteur kan natuurlijk uitstekend bij een bedrijf kijken of de nooduitgang niet is geblokkeerd en of het lampje van de nooduitgang nog wel brandt. Over dat soort zaken heb je het. Als je dat goed voorbereidt, is daar niets op tegen.”
De milieuwethandhaving is volgens Bert mede door de professionalisering veel meer uitgelijnd dan bijvoorbeeld de bouwhandhaving en daarom is het logisch dat ook het toezicht op bouwwerken aansluit bij een bestaande milieudienst, wat uiteindelijk leidt tot een omgevingsdienst. “Al helemaal als je het hebt over het handhaven van de bestaande bouw. Daar doet bijna geen enkele gemeenten iets aan, totdat er weer ergens een parkeerdak of een balkon instort. Dan moeten ineens alle balkons in de gemeente worden gecontroleerd.”
Een omgevingsdienst betekent dat de handhavers breder inzetbaar moeten zijn. “Vijftien procent van wat we doen, zijn de meer complexe vergunningen. Daar blijf je specialisten voor nodig hebben. Voor de meer eenvoudige inrichtingen, denk aan horeca en supermarkten, kunnen de huidige milieuhandhavers prima andere zaken meenemen bij controles. Ze zullen uiteraard wel trainingen moeten volgen. Bijvoorbeeld weten hoe zestig minuten brandwerend moet worden beoordeeld en dat kunnen ze leren met een goede instructie van de brandweer. En als ze er dan niet uitkomen, dan kunnen ze er alsnog een specialist bijhalen. Zo hebben milieuinspecteurs recent alle bedrijventerreinen gecontroleerd met een quickscan op zowel milieuaspecten als bouw- en brandveiligheid. Daaruit blijkt dat een milieuhandhaver daartoe uitstekend in staat is. En de ondernemer vindt het ook prettig want die weet in één keer waar hij aan toe is en hij heeft met minder verschillende instanties te maken. Daar liggen dus kansen.”
Alles behalve Corus
“Het betekent wel wat voor de brandweermensen die gebruiksvergunningen afgeven en controleren,” zegt Bert. “Die zullen op termijn de overstap moeten maken naar een omgevingsdienst. Dat geldt ook voor bouw- en woningtoezichtambtenaren van een gemeente. Ook met de provincie zal moeten worden bekeken hoe een omgevingsvergunning straks wordt verleend en hoe het toezicht moet worden geregeld. Die hebben nu nog hun eigen milieubureau, dat in mijn ogen voor een deel dubbel werk verricht. Zowel de provincie als de milieudienst hebben een eigen geluidsmodel. Dat is niet efficiënt. In de toekomst zul je ook hier moeten kijken naar integratie, bijvoorbeeld volgens het DCMR model. De gedeputeerde heeft al eens laten weten dat de milieudienst wat hem betreft alles kan krijgen, behalve Corus. Gelet op de discussies in Den Haag over dit onderwerp zal een dergelijk groot bedrijf in de toekomst misschien door een landelijke handhavingsdienst worden gecontroleerd.”
Geen overlegclubjes die gaan kijken waarom het niet kan
Bert is meer een man van daden in plaats van eindeloos overleggen. “We hebben een pilot gedraaid in het Noordzeekanaalgebied, waar naast de gemeente en de provincie ook Rijkswaterstaat bevoegd gezag is. Daar hebben we ervoor gekozen om niet weer een overlegclub in het leven te roepen die gaat kijken naar waarom het niet kan. Een handhaver van onze dienst ging gewoon de provinciale vergunningen controleren, de lozingen op de rioleringen en ook de vergunningen van Rijkswaterstaat. En gedurende dat proces hebben we gekeken naar welke obstakels hij zoal tegenkwam. Eerst kijken of het werkt. Deze toezichthouder kan natuurlijk geen monsters nemen. Daar heb je een gecertificeerde specialist voor nodig. Maar hij of zij kan wel alle middelvoorschriften uit de lozingsvergunning controleren.”
Desondanks is er landelijk nogal wat weerstand tegen een dergelijke integrale aanpak. “Natuurlijk is er weerstand,” zegt Bert. “Elke verandering en reorganisatie leidt tot weerstand. Maar in de praktijk blijken de bezwaren best mee te vallen. Pilots zoals in het Noordzeekanaal bieden bovendien ook nog voordelen omdat je bij elkaar in de keuken kunt kijken en van elkaar kunt leren.”
Wij reageren een beetje sceptisch. Daar is wel lef voor nodig. Overheidsdiensten hebben toch liever niet dat andere diensten bij hen in de keuken kijken. “Ja, dat is wel een gebruikelijke attitude. Maar ik zie het als een gratis scan. Ik zou heel graag willen dat een milieudienst onze vergunningen bekijkt op kwaliteit en andersom. Als de Inspectie constateert dat vergunningen niet in orde zijn, ben je te laat en een duur extern bureau inhuren om de kwaliteit van onze producten te bekijken, doe ik liever niet.”
Kamervragen over handhaven supermarkten
De Milieudienst IJmond en de Dienst Milieu en Bouwtoezicht Amsterdam zijn in 2005 gestart met het project ‘Handhaven bij Supermarkten, een open deur’. Op basis van de Wet milieubeheer wordt bij 170 supermarkten in de regio dagafdekking van koel- en vriesmeubelen afgedwongen. Hiermee kan een energiebesparing van veertig procent worden gerealiseerd. Maar de supermarkten protesteren heftig en laten het handhavingstraject uitdraaien op een rechtszaak. De affaire leidt zelfs tot vragen aan Van Geel in de Tweede Kamer. “Pieter van Geel hield gelukkig zijn rug recht en zei dat de milieudiensten het goed hadden gedaan,” zegt Bert. “Handhaving in het algemeen is lokaal geen echt politiek item. Bij vooral kleine gemeenten vindt men het prettig om handhaving wat op afstand te zetten bij een milieudienst. Wanneer een lokale ondernemer dan komt klagen bij een wethouder, kan deze zeggen: “Kees, ik kan er ook niets meer aan doen, het ligt nu bij de milieudienst.””
"Teveel handhavers willen te graag aardig gevonden worden."
Naam: Herbert Dekkers
Functie: Teamleider Milieubeheer, Milieudienst IJmond
Leeftijd: 46
Burgerlijke status: Getrouwd, twee jongens (2 en 5 jaar)
Relatie met sport: Heeft 21 marathons gelopen (beste tijd: 3,5 uur) en zou nog graag eens een tourskitocht van enkele dagen ondernemen.
Van ME naar Milieu
We nemen afscheid van Bert. Hij heeft nog een afspraak in Amersfoort. Herbert Dekkers neemt het interview echter naadloos over. Herbert Dekkers gaat na zijn atheneum in 1978 naar de politieschool Noord-Holland. Jarenlang werkt hij bij de politie, ook bij de mobiele eenheid. Zo is hij betrokken bij de krakersrellen in Amsterdam. In die tijd loopt hij ook zijn allergie op voor alles wat met voetbal te maken heeft. “Dat krijg je als je te lang als ME’er in het F-side vak van Ajax hebt gezeten waar je eencelligen in de gaten moest houden, die zware shag roken, bier zuipen en heel hard “Joden” roepen.” Pech dat zijn zoontjes voetballen heel leuk vinden.
Twee jaar lang maakt Herbert onderdeel uit van een arrestatie-eenheid, voordat hij verhuist naar de afdeling fraudebestrijding van de Centrale Recherche. Hij doet alsnog de Politie Academie en is in 1992 betrokken bij huiszoekingen in de TCA/TCR – affaire (hij coördineert de huiszoekingen in België ten behoeve van dit onderzoek). Hij maakt de omslag mee van Gemeente- en Rijkspolitie naar Regiopolitie. Herbert woont en leeft in die tijd op het politiebureau. Totdat hij daar zijn huidige vrouw ontmoet. De keuze voor een iets minder hectisch leven ligt dan voor de hand. Zeker als er kinderen op komst zijn. Toevallig attendeert een vriend hem op de vacature voor teamleider bij de Milieudienst IJmond. Hij solliciteert en wordt aangenomen. Dat was vijf jaar geleden.
Leiding geven is bij de overheid zwak ontwikkeld
Herbert geeft leiding aan 24 mensen. Hij is van mening dat als iets niet lukt het eerder aan de leidinggevende ligt, dan aan de wetgeving of de uitvoering. Als voorbeeld noemt hij de verruimde reikwijdte. “Het onvoldoende uitvoeren van de verruimde reikwijdte is geen implementatieprobleem of kennisprobleem. Het is een aansturingsprobleem. Een gemiddelde handhaver vindt het handhaven van verruimde reikwijdte minder erotisch dan bijvoorbeeld het handhaven van externe veiligheid. Hij heeft er problemen mee om tegen een ondernemer te zeggen dat hij met spaarlampjes aan de slag moet. Hij vindt dat niet leuk. Dus moet je die handhaver hiervoor enthousiast maken, op zijn verantwoordelijkheid wijzen en afrekenen op het resultaat. Heel veel leidinggevenden doen dit niet.”
Herbert durft te zeggen dat het leidinggeven binnen de overheid zwak ontwikkeld is. “Leidinggevenden kijken veel te veel naar snelle resultaten op de korte termijn. Dat is door de politiek ingegeven. Terwijl het juist vaak om de lange termijn moet gaan. Beleid op papier zetten, dat is zo gedaan. Maar het beleid operationaliseren, daar moet je de tijd voor nemen. Handhavers moeten daarbij gestuurd worden, want ze hebben geen eigen verantwoordelijkheid. Dat wordt nogal eens vergeten door de leidinggevende. Ze gaan echt niet uit zichzelf naar de plaatselijke Makrovestiging om daar over energiebesparing te praten. Die handhavers (en ook de leidinggevenden) doen van nature het liefst wat ze leuk vinden. Maar dat vind ik geen complete werkhouding. Handhavers vinden het leuk om buiten te zijn, om rond te rijden in de auto en op bezoek te gaan bij bedrijven. Maar het papierwerk vinden ze niet leuk.” Herbert steekt hier ook de hand in eigen boezem. Hij geeft toe dat hij zelf ook moet oppassen voor die valkuil. Hij vindt het hartstikke leuk om dingen op de rit te zetten maar het afmaken gaat moeilijker. “Dat betekent dat ik heel goed moet plannen.” Gelukkig houdt Bert hem scherp. Herbert moet zich er ook toe zetten om 24 functioneringsgesprekken te houden met zijn mensen. “Ik praat genoeg met mijn mensen, dus ik weet wel hoe ze functioneren, maar het officiële gesprek en de formele vastlegging moeten ook gebeuren. Dat vinden ze belangrijk en dat is natuurlijk ook zo.”
Teveel handhavers willen te graag aardig gevonden worden
Herbert is van mening dat van de vijfduizend milieuhandhavers er overigens maar duizend echt geschikt zijn voor de functie. “Handhavers moeten een goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid hebben. Hun omgevingsgevoeligheid moet goed zijn. En zo zijn er nog een paar competenties die ze moeten hebben. Dat kan allemaal in orde zijn. Maar slechts één op de vijf durft ondernemers aan te spreken op ongewenst gedrag. Mensen willen graag aardig gevonden worden. En als handhaver moet je dat los kunnen laten. Er zijn maar weinig mensen die het in zich hebben om gespreksconfrontaties als een uitdaging te zien. Als handhaver kom je altijd vanuit een unieke gereserveerde machtspositie en moet je iemand aanspreken op ongewenst gedrag. Dat kun je of dat kun je niet. Als je dat niet kunt, moet je in de spiegel durven kijken. Moet je jezelf de vraag durven stellen of je dat wel wil kunnen en of je dus wilt veranderen.” Bij de politie worden de mensen daar beter op geselecteerd volgens Herbert. Historisch gezien worden de milieuhandhavers niet op dit soort eigenschappen aangenomen.
De Chinese muur tussen vergunningverlening en handhaving
Herbert gelooft dat strafrecht in de milieuhandhaving puur ultimum remedium is. “Strafrecht moet je inzetten als je er bestuursrechtelijk niet uit komt. Kernbepalingen zijn wat dat betreft bullshit. Vanuit welk reguleringsidee gebeurt dit nou?” Herbert gaat rechtop zitten. “Ik zal het met een voorbeeld uitleggen. Een bedrijf doet een aanvraag voor een nieuwe vergunning bij een bevoegd gezag. Door onbehoorlijk bestuur kwam de vergunning er niet op tijd. Op 1 mei 2006 was de oude vergunning verlopen. Toen zei de afdeling Handhaving: “Dit is een kernbepaling, we maken proces-verbaal op. De vraag is nu: waarom dit proces-verbaal?”
Waar is dit nu goed voor? Uit strafrechtelijk oogpunt moet er sprake zijn van schuld en opzet voor het geven van een proces-verbaal. Hier is van beide geen sprake. Maar door de Chinese muur tussen de afdeling Vergunningverlening en de afdeling Handhaving bij de provincie, gebeuren dit soort maffe zaken. Dus als iets onder een kernbepaling valt, maken we er maar blind een proces-verbaal voor op. Wat levert dit nu op? Een negatief sentiment en een total waste of energy.”
Is dit nu een incident of is dit een structureel probleem?,” vragen we. “Het is geen incident,” zegt Herbert. “Dit gebeurt veel en veel vaker. Er wordt te vaak proces-verbaal opgemaakt zonder dat daarmee norm-conform gedrag wordt afgedwongen. Ik snap natuurlijk wel dat strafrecht puur straffend (punitief) en bestuursrecht reparatoir is, maar je wilt toch dat z.s.m. conform wet- en regelgeving wordt gehandeld.”
De kritiek op de kernbepalingen komen we elders in het land ook tegen. Hoe komt dat toch? “De kernbepalingen zijn voortgekomen uit een diep geworteld wantrouwen dat lagere overheden het niet goed doen. Daarom pikt niemand het bij de lagere overheid. Maar een doctorandus bij een lagere overheid heeft dezelfde opleiding genoten als een doctorandus die werkt in de ivoren toren in Den Haag. Maar die handhaver die hier met z’n poten in de modder staat, weet waar het over gaat en die man in de ivoren toren heeft daar geen idee van. De mensen die in Den Haag het milieubeleid verzinnen komen nooit in de praktijk. Kijk nu eerst eens welk probleem je wilt oplossen!”
Wilma Speller werkt in zo’n ivoren toren, maar eigenlijk vertelt zij hetzelfde verhaal als Herbert. Evidence based handhaven; kijk eerst eens goed welk probleem je wilt oplossen en ga dan kijken of en op welke manier je handhaving gaat inzetten.
"We doen toch allemaal min of meer hetzelfde."
Naam: Ruud Vis
Functie: Implementatiemanager Ketenhandhaving Dierlijke Vetten Landelijk Overleg Milieuwethandhaving, werkzaam bij de Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA)
Leeftijd: 46
Burgerlijke status: Getrouwd, twee kinderen (18 en 23 jaar)
Relatie met sport: Kijkt graag … naar voetbal, fan van met name het oude Feijenoord (toen Wim van Hanegem nog speelde)
Haagse probleemwijken, harde klappen van vissers en de vogelpest
Ruud vis werd na zijn opleiding op de politieschool agent en had de Haagse probleemwijken als werkgebied. Dan leer je ongetwijfeld wat handhaven is. Maar echt moeilijk kreeg hij het pas toen hij tien jaar later verhuisde naar de Algemene Inspectie Dienst en eind jaren tachtig werd ingezet om illegale visvangsten op te sporen. Het was net in de tijd dat de visserij werd geconfronteerd met de vangstquota-regeling. De vissers waren hier niet blij mee en dat lieten ze wel eens merken. “Als we op een boot sprongen waarvan we het vermoeden hadden dat ze een illegale vangst wilden lossen, kon het gebeuren dat we er weer net zo hard vanaf werden geslagen,” zegt Ruud.
“De wijze van controleren van de visquota in die tijd is een mooi voorbeeld van hoe het niet moet,” vertelt hij. “De regeling werd zonder goed overleg met de visserij opgelegd en het ontbrak aan overleg tussen de handhavingspartners. Later ging dat beter en kregen de controleurs van de AID zonodig ondersteuning van de Mobiele Eenheid.”
Na de AID werkte Ruud drie jaar bij een verzekeringsmaatschappij. Maar de handhaving zat hem inmiddels toch teveel in het bloed. Hij miste de actie. Hij solliciteerde bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) en werd daar aangenomen als districtshoofd in Rotterdam. De RVV is inmiddels opgegaan in de Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA). Ruud is naast zijn andere functies bij de VWA en het LOM nog steeds hoofd ruimingen dierziektes. Als de vogelpest uitbreekt in Nederland laat hij al het andere waar hij mee bezig is, vallen.
Dierlijke vetten
Ruud Vis leidt voor het LOM het project ketenhandhaving dierlijke vetten. Eind jaren negentig en begin van dit het nieuwe millennium werd ons land opgeschrikt door een aantal affaires, waarbij o.a dioxines, in het diervoeder terecht kwamen door het gebruik van verontreinigd dierlijk vet. De verontreinigingen konden via het vee terechtkomen in melk en vlees en dus een gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Het vet was afkomstig van een leverancier uit België.
Vooral de vetrecyclingbedrijven en de inzamelbedrijven spelen een kritische rol in de kwaliteit van de dierlijke vetten. “Vetrecycling is big business,” volgens Ruud, “en daardoor interessant voor malafide personen en bedrijven. Er zijn erbij die nergens voor terugdeinzen. Het komt voor dat ze heel brutaal bij een ontdoener langsgaan met het verhaal dat het bedrijf dat eerder altijd kwam, failliet is en dat zij het overnemen. Er is een geval bekend van een bedrijf dat het hek van een hockeyclub had doorgeknipt om de vaten gebruikt frituurvet mee te kunnen nemen. Het gaat dan natuurlijk niet om de erkende recyclingbedrijven maar om de zogenaamde ‘free-riders’.”
De vetrecyclingbedrijven hadden in het verleden weinig te duchten van de handhaving. De meeste vergunningen waren verouderd en de diensten werkten nauwelijks samen. Het project van het LOM heeft daar verandering in gebracht. De nieuwe interventiestrategie biedt handvatten om de handhaving beter georganiseerd en in samenwerking met verschillende diensten op te pakken. “Er is onder meer een checklist ontwikkeld voor gemeenten,” zegt Ruud. “Kampen is een van de eerste gemeenten die met deze checklist aan de slag gaat.”
De diervoederbranche heeft zich onder druk van de diervoederschandalen en de handhaving de afgelopen jaren beter georganiseerd. Er is een erkenningregeling opgezet met eisen waaraan een erkend diervoederbedrijf moet voldoen. Een van die eisen is dat het bedrijf een HACCP dient toe te passen. HACCP is een controlesysteem wat tot doel heeft risico’s op het gebied van voedselveiligheid te identificeren en controleren. Naast de wettelijke verplichtingen heeft de branche zich zelf extra “bovenwettelijke verplichtingen” opgelegd. Enkele voorbeelden hiervan zijn GMP+, TrusQ en het nieuwe Safefood.
“De vetrecyclebranche heeft ook een dergelijk erkenningsregeling met de verplichting om HACCP toe te passen. Maar in deze branche staat dit alles nog in de kinderschoenen,” zegt Ruud. “We komen tot nu toe overwegend rommelige en vieze vetrecyclebedrijven tegen. Uitzondering daar gelaten.” Overigens wordt er steeds minder dierlijk vet gerecycled tot diervoeder. Er is een andere toepassing die mogelijk nog interessanter is. Het vet wordt steeds vaker gebruikt als biobrandstof. De gevaren voor de volksgezondheid lijken daardoor een stuk kleiner te worden.
Een Nationaal Bureau Monstername
Ruud houdt zich, naast het project ketenhandhaving dierlijke vetten van het LOM, ook bezig met het samenwerkingsproject van de rijksinspecties, specifiek op het gebied van controle van vlees. Hij is projectleider van één van de 22 gedefinieerde domeinen. Andere domeinen zijn bijvoorbeeld Schiphol, horeca of veehouderij.
“We zijn nu bezig met een analyse van de vleesketen, waarbij we kijken welke instanties waar en hoe vaak controleren, wat de verschillende diensten doen, hoe ze gefinancierd zijn en welke lasten ze veroorzaken voor het bedrijfsleven. Samen met de bedrijven bespreken we deze analyse en komen we tot een voorstel aan onze opdrachtgever, de inspecteur-generaal van de VWA. Dat zal eind dit jaar, begin volgend jaar klaar zijn. Het voorstel zou kunnen inhouden dat enkele werkzaamheden van de AID met het VWA samen moeten of dat controleurs van de VWA op pad gaan met een checklist van het ministerie van VROM of van de provincie. Of andersom, dat inspecteurs van de provincie een checklist meenemen die van de VWA afkomstig is. Het doel van deze aanpak is natuurlijk lastenverlichting, en effectiever en efficiënter handhaven.”
Ruud is van mening dat alle handhavende instanties min of meer hetzelfde doen. “De VWA en de AID verlenen erkenningen en registraties. Waterschappen, gemeenten en provincies verlenen vergunningen. Dat is toch allemaal hetzelfde. We stellen allemaal eisen aan inrichtingen en productieprocessen, en we controleren dat vervolgens met checklisten en monsternames, of het nu gaat om vlees, afval of water. Al die monsters die van één bedrijf moeten komen, kunnen in principe door één controleur worden afgenomen. Een Nationaal Bureau Monstername, zeg maar. Dat zou best een uitkomst kunnen zijn van ons onderzoek.”
Aptroot? Opnieuw laten we de naam vallen van de man die het liefst de route inslaat naar één Nationale Inspectiedienst . “Wat Aptroot wil is voorlopig nog een stap te ver,” volgens Ruud. “Aptroot wil alles op één hoop gooien. De bedoeling erachter is goed: lastenverlichting, efficienter en effectiever toezicht. Maar een dergelijke mega-reorganisatie kan wel eens tot gevolg hebben dat het gehele toezicht tien jaar lang in een reorganisatiechaos wordt gestort. Maar het zou best kunnen dat er bepaalde inspectiediensten worden samengevoegd. Dat is echter geen doel op zich. Er zijn meer vormen van samenwerking denkbaar die al een enorme verbetering zouden zijn. Zoals een betere informatie-uitwisseling tussen inspecties, samen controles uitvoeren of de regie bij één dienst neerleggen (front-office).” De boodschap is duidelijk: rustig aan, dan breekt het lijntje niet!
"Evidence-based handhaven, daar gaat het om!"
Naam: Wilma Speller
Functie: Beleidsadviseur Expertisecentrum Rechtshandhaving, Ministerie van Justitie
Leeftijd: 45
Burgerlijke status: Getrouwd, moeder van twee meisjes (10 en 12 jaar)
Relatie met sport: In vroeger tijden amateur-wedstrijddanseres latin-american
Nu: tennis en fitness (als ze er aan toe komt)
Wat voor type handhaving pas jij eigenlijk toe?
Een bezoekje aan Wilma Speller op één van de warmste dagen van juni. “Hoe is het buiten?,” vraagt ze. “Heet,” antwoorden we. “Erg heet.” Gelukkig is het bij het ministerie van Justitie aangenaam. We zijn doorgedrongen tot het centrum van de experts van de Rechtshandhaving. Hier wordt gewerkt aan de ontwikkeling van instrumenten om de handhaving in de breedste zin van het woord professioneler te maken. Hier durven ze vragen te stellen en op zoek te gaan naar de zin en onzin van regels en naar de effectiviteit van handhaving.
Eén van die vragen is: wat voor type handhaving pas jij eigenlijk toe? En ben je je daarvan altijd bewust?
Iedere handhaver, maar ook iedere beleidsontwikkelaar, heeft in de praktijk te maken met drie dilemma’s:
- Wil ik als overheid verleiden of afschrikken?
- Opereer ik principieel of pragmatisch?
- Handhaaf ik als overheid zelf of laat ik het over aan anderen (nevenheid)?”
Dat klinkt ons wel wat abstract in de oren, maar we zijn nieuwsgierig. Wilma legt de dilemma’s geduldig uit. “Sta je als handhaver boven het bedrijf en dwing je zelf normnaleving af? Of laat je handhaving bijvoorbeeld over aan een brancheorganisatie of de markt? Heb je als overheid dus vertouwen in de nalevingbevorderende werking van de omgeving van een bedrijf? Dat is het dilemma tussen overheid of nevenheid.
Een ander dilemma is die tussen principieel en pragmatisch handhaven. Principieel is dat overtreders moeten worden gestraft, kost wat kost. Of handhaven we pragmatisch en kijken we naar hoe we de beperkte middelen zo effectief en efficiënt mogelijk in kunnen zetten? En dan hebben we nog het dilemma tussen verleiden en afschrikken. Verleid je ondernemers, opdat ze zich uit eigen beweging aan de wet houden door subsidies, overleg en voorlichting? Of kies je voor repressie? Houd je ondernemers in het gareel door bijvoorbeeld strafrechtelijke sancties?”
Raken we hier aan de haat-liefde verhouding tussen straf- en bestuursrecht? Wilma is niet zo geïnteresseerd in die discussie. Het gaat haar simpelweg om de vraag wat werkt. Wat brengt iemand tot betere regelnaleving. Dat betekent dat we over handhaving eerst goed na moeten denken en alle informatie op een rij moeten zetten.
Handhavingsorganisaties en handhavers hebben met deze dilemma’s te maken. Daar praten handhavers met elkaar te weinig over. Iedere handhaver hanteert zijn eigen stijl, uiteraard binnen de kaders van wat zijn organisatie wil. Maar zijn collega doet het misschien wel heel anders. Handhavers gaan er al snel vanuit dat iedereen er op dezelfde manier in staat maar dat is niet altijd zo. Veel van wat wij in het expertisecentrum doen, heeft te maken met het expliciet maken van beelden over naleving en handhaving. Wij ontwikkelen en verspreiden kennis en instrumenten om handhavers, en ook beleidsmakers bewust te maken van waar ze mee bezig zijn. In handhavingsland is het gebruikelijk om maar meteen beginnen te rennen. Dat wordt ook ingegeven door de politiek. Eerst doen, dan pas denken. Wij draaien dat om. Evidence-based handhaven, daar gaat het om.”
Handhaven is blijkbaar nog niet zo gemakkelijk. Eerst moeten lastige vragen worden beantwoord. Wilma is zich ervan bewust dat men dat in de praktijk al snel abstract “gezeur” vindt. “Ja....,” zeggen wij om uit te dagen, “wat zit je nou moeilijk te doen. Handhavers moeten gewoon garagebedrijven controleren. Ze moeten kijken of de olie wel wordt opgeslagen boven een opvangbak.“ “Dat is wel zo,” zegt Wilma, “maar als er iets gebeurt, er vliegt bijvoorbeeld een tankopslag bij Pernis in de lucht, dan wordt er wel meteen naar de handhaving gewezen. Daarom is het goed om vooraf na te denken over waar je mee bezig bent als handhaver en jouw keuzes te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een goede risico-analyse en een effectieve interventiestrategie. Om deze manier van werken te ondersteunen hebben wij diverse instrumenten ontwikkeld. Deze zijn onderdeel van een planmatige aanpak van de handhaving, die wij programmatisch handhaven noemen”
De rol van het OM in het milieuvraagstuk.
Het interview is al behoorlijk op gang, zonder dat we eigenlijk weten wie Wilma Speller is. Wilma voltooide in 1984 haar studie Jeugdwelzijnswerk en ging, bij gebrek aan een baan binnen haar eigen vakgebied, bij een bank werken. Na twee jaar volgde ze een studie voor parketsecretaris en werkte vervolgens twaalf jaar bij het Openbaar Ministerie (OM). Wilma was één van de eersten bij het OM, die zich begin jaren negentig met de aanpak van de milieuhandhaving ging bemoeien. Onder invloed van de NMP-gelden kwamen er ineens milieuofficieren bij de arrondissementsparketten. Wilma werd milieusecretaris bij het OM. “Milieu was een nieuw beleidsterrein voor het strafrecht en dat vereiste een heel andere manier van opereren. Zo kent milieuhandhaving zoals bekend een sterk bestuurlijke kant. Het OM ging zich in de loop van jaren steeds bewuster bezig houden met haar strafrechtelijke rol binnen milieuvraagstukken. Dat betekende veel overleg, bijvoorbeeld met het ministerie van VROM over specifieke regelgeving, zoals het bouwstoffenbesluit. Maar ook overleg met lokale partners over de inzet van het strafrecht. We moesten er voor waken dat er zaken naar het strafrecht werden geschoven, waarin het strafrecht geen rol had. Dan zat het OM vervolgens met de bewijsproblematiek in haar maag. Boetes uitdelen klinkt leuk, maar belangrijker is dat de zooi ook weer wordt opgeruimd. Daar moest je samen met het bestuur zien uit te komen.”
Wilma is nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van de Strategie Milieu. In de Strategie Milieu heeft het OM in 1999 de strafrechtelijke aanpak met kernbepalingen geïntroduceerd. Deze aanpak komt erop neer dat per arrondissement in onderling overleg tussen OM en bestuurlijk bevoegd gezag kernbepalingen worden genoemd. Bij constatering van een overtreding van een kernbepaling wordt proces-verbaal opgemaakt. Alles wat Wilma in die tijd deed, had te maken met de vraag wat het OM strafrechtelijk wilde betekenen in het milieuhandhavingsvraagstuk. “Een leuke tijd,” volgens Wilma.
In 1999 vertrok ze van het Openbaar Ministerie naar het Expertisecentrum Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie. Dit centrum houdt zich bezig met het ontwikkelen van instrumenten om de handhaving verder te professionaliseren. “Het draait daarbij vooral om de vraag hoe je gedrag kunt beïnvloeden,” zegt Wilma. “Deze vraag geldt overigens niet alleen voor milieu. Het Centrum houdt zich met handhaving bezig, in alle ministeries en inspecties en door alle beleidsterreinen heen.”
De tafel van elf.
Als voorbeeld noemt Wilma de ‘Tafel van Elf’. De meeste handhavers zijn hier wel mee bekend. De ‘Tafel van elf’ is een op de gedragswetenschappen gebaseerd model, opgebouwd uit elf dimensies. ‘Kennis van regels’ is zo’n dimensie. Andere zijn onder meer ‘Acceptatie’, ‘Overheidsgezag’of ‘Detectiekans’. Met elkaar zijn deze dimensies bepalend voor de mate van naleving van regelgeving. De elf dimensies zijn geformuleerd met het oog op een zo groot mogelijke bruikbaarheid voor de praktijk van de beleidsontwikkeling en de rechtshandhaving. De dimensies geven criteria waarmee bijvoorbeeld conceptwetgeving kan worden beoordeeld op naleefbaarheid en handhaafbaarheid. De criteria zijn echter ook bruikbaar om de bestaande wetgeving te evalueren of om een effectieve interventiestrategie voor niet-naleefgedrag te formuleren. De ‘Tafel van elf’ is een begrip bij beleidsontwikkelaars, wetgevingsjuristen, toezichthouders en handhavers.
Het Expertisecentrum coördineert het gebruik en de verdere ontwikkeling van de ‘Tafel van elf’ binnen de Nederlandse overheid. Sinds het ontstaan zijn er diverse toepassingen rondom het model gebouwd. Zo is er sinds enige tijd een internetversie van de ‘Tafel van elf’ beschikbaar via www.it11.nl. Daarop staan een aantal analysemodules. Zo is er de Checklist voor de Wetgever, een vragenlijst met ja/nee -antwoorden waarmee de wetgever snel een indruk krijgt van de zin van nieuwe regelgeving. De Nalevingschatting is een kwantitatieve inschatting van het nalevingsgedrag van de doelgroep. De naleefbaarheidstoets is een veel door handhavers gebruikt instrument om een inschatting te maken van de dominante nalevings- en overtredingsmotieven. Een nieuwe loot aan de tak is de interventiemodule. Met behulp hiervan kunnen interventies geselecteerd worden die aansluiten bij de zwakke nalevingsdimensies van een doelgroep én passen binnen de handhavingsstijl van de organisatie.
Mag gevulde koek wel?
Een nieuw instrument wat Wilma ons enthousiast uitlegt, is de “Werkbaarheidsanalyse’. “Deze analyse gaat uit van de vraag of de aannames die gemaakt zijn over de werkbaarheid van het beleid wel kloppen. Klopt bijvoorbeeld het beleid in theorie en gaat het in de praktijk ook zo werken? Zal iedereen die binnen dat beleid een rol heeft ook gaan doen, wat een succesvol beleid van hen vraagt?
Bij de introductie van de werkbaarheidsanalyse hebben we ooit het volgende – toen nog fictieve - voorbeeld ontwikkeld. Ongewenste situatie: dikke kinderen. Gewenste situatie: dunne kinderen. Analyse van het probleem was dat het kwam omdat er snacks op scholen werden verkocht. De maatregel om dit probleem te verhelpen bestond uit een verbod, gericht op directeuren van scholen om snacks aan leerlingen te verkopen.
In de simulatie waarbij alle actoren binnen het beleid een rol speelden, zoals het schoolhoofd, de leerling en de inspectie, vroegen we ons af of dit wel de juiste maatregel was en of iedereen aan zijn gewenste rol zou voldoen. Natuurlijk werd al snel duidelijk dat de theorie achter de maatregel niet klopte. Leerlingen eten thuis ook snoep en snacks. En als ze deze niet op school kunnen krijgen, kopen ze wel snacks bij de snackbar om de hoek. Leidt zo’n snackverkoopverbod dan wel tot dunnere kinderen? Waarschijnlijk niet. Bovendien bleek dat het maar de vraag was of iedereen zou doen wat het beleid van hem vroeg. Wist de directeur eigenlijk wel wat nu precies wel of niet mocht? Zo vroeg de directeur van de school zich af wat er onder snacks moest worden verstaan. Wat mocht hij wel of niet verkopen? Mag een gevulde koek wel? En wilde de Onderwijsinspectie wel toezicht houden op dit snackverkoopverbod? Om over de rol van de leerling binnen het beleid maar te zwijgen.
We ontrafelen met een werkbaarheidsanalyse het hele probleem en kunnen analyseren of maatregelen effectief kunnen zijn. Maar we brengen ook in beeld in hoeverre het beleid in de praktijk werkbaar is, dat wil zeggen naleefbaar, handhaafbaar en uitvoerbaar.”
Hoera”, denken wij. Eindelijk een instrument dat gaat voorkomen dat handhavers met onzinnige regels worden opgezadeld. Eerst denken dan doen. Niet alleen wij als handhavers, maar ook de dames en heren regelmakers.
Enigszins onder de indruk geven we toe dat het een geweldig instrument is. Waarom wordt het dan zo weinig toegepast? We herinneren ons het interview met Rob Ernes van het Waterschapsbedrijf Limburg die ons vertelde dat sommige regels domweg niet te handhaven zijn. Denk maar aan het verbod voor agrariërs om bepaalde gewassen binnen een bepaald aantal meter van een slootkant te telen, vanwege het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Op zich een duidelijke regel, prima te handhaven. Totdat er een uitzondering op de regel ontstaat, die zegt dat het met een speciale spuittechniek wel mag. Door de uitzondering is de regel ineens praktisch niet meer te handhaven. De handhaver moet de agrariër op heterdaad betrappen. De kans daarop is erg klein. Eigenlijk zou je toch iedere nieuwe regel aan een werkbaarheids- of tafel van elf-analyse moeten onderwerpen, voordat je hem invoert?
Ȏr wordt in toenemende mate van dit soort instrumenten gebruikgemaakt,” zegt Wilma. “En wij proberen het gebruik ervan verder te stimuleren. Maar soms is het gebruik van deze instrumenten nieuw en doorkruist het de bestaande manier van werken. Dat vergt een andere manier van kijken en een andere inzet van alle betrokkenen, binnen zowel beleid als uitvoering en handhaving. Het is in ieder geval belangrijk dat alle betrokkenen zien dat het zorgen voor werkbaar beleid een gezamenlijke verantwoordelijkheid en een gezamenlijk proces is. Deze instrumenten helpen daarbij. Zij dragen bij aan werkbaar beleid en evidence-based handhaven.”
Regels die werken en ook nog te handhaven zijn. “In ieder geval helpen deze instrumenten beleidsmakers en handhavers dezelfde taal te spreken,” concludeert Wilma.
Even later staan we weer buiten. Het is nog steeds heet in Den Haag.
"Je moet politiemensen geen Skoda’s willen verkopen"
Naam: Roel Willekens
Functie: Districtchef Politie Maasland Politieregio Brabant-Noord en voorzitter van de strategische beleidsgroep Milieu en bijzondere wetten
Leeftijd: 43
Burgerlijke status: Getrouwd, vier kinderen (tweeling van 6, 9 en 12)
Relatie met sport: Tennis, fitness
Skoda
Rijden in een Skoda is niet stoer. Al helemaal niet voor een politieagent. Die wil het liefst in een Porsche of op de motor. “Milieuhandhaving is voor een agent net zoiets als rijden in een Skoda,” zegt Roel Willekens, districtchef van de Politie Maasland. “Een Skoda heeft een slecht imago. Toen halverwege de jaren negentig de politie werk moest maken van milieuwethandhaving, was het probleem: hoe krijgen we onze collega’s bij milieu betrokken? Hoe zorgen we ervoor dat ze milieu belangrijk gaan vinden? De vraag was dus: hoe verkopen we ze een Skoda? Het is zelfs nog enige tijd geprobeerd om politiemensen te belonen met groene petjes maar dat werkte natuurlijk helemaal niet. Politie is blauw. Maar het heeft helemaal geen zin om uit te gaan leggen dat een Skoda een goede auto is. Ook al is het wel een goede auto, het blijft een slecht imago hebben. Er was dus maar één oplossing: stoppen met het missionariswerk. Milieu moest een normaal onderdeel worden van de praktijk van een politieagent, één van de taken in het kader van opsporen en handhaven. Je moet niet meer de vraag stellen of ze Skoda willen rijden. Je zegt: “Hier heb je een auto en die hoort bij je werk.” Ze gaan vervolgens Skoda rijden en merken gaandeweg dat het best een goede auto is. Hij zit goed, rijdt goed en hij is veilig. De mensen moeten enthousiast worden vanuit die ervaring.”
De politie heeft bekeken welke milieuactiviteiten bij de politietaak behoren. Dat heeft geleid tot het opstellen van een referentiekader milieu. Daarin is vastgelegd dat er per politieregio een regionaal milieuteam is. Daarboven zijn er ook interregionale milieuteams. De activiteiten die bij de politiemilieutaak behoren, zijn opgenomen in het korpsjaarplan. Daar staat in wat het korps dat jaar aan milieu gaat doen. Aan die activiteiten hangt een resultaatverplichting. “De milieuteams zijn opsporingsteams,” zegt Roel. “Ze zijn en onderdeel van de recherche en houden zich voornamelijk bezig met informatie verzamelen over milieucriminaliteit. Zo worden er helikoptervluchten gemaakt om foto’s te maken van bedrijven. Er wordt daarnaast veel samengewerkt met buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s), zoals bijvoorbeeld jachtopzieners.” Wij krabben ons op het achterhoofd. Hoezo, milieu vergelijken met een Skoda. Dit lijkt ons best wel spannend.
Met verschillende bestuurlijke partners worden afspraken gemaakt over de samenwerking en de informatie-uitwisseling op het gebied van milieuwethandhaving. De politie doet geen handhaving op milieugebied. Handhaving is toezicht houden op naleving van vergunningen. De politie houdt zich op milieugebied alleen bezig met opsporing. Het verzamelen van belastende informatie en het opmaken van een proces-verbaal. Op andere beleidsterreinen, zoals openbare orde of de verkeersveiligheid, treedt de politie wel op als toezichthouder.
Het specifieke aan milieuovertredingen is, dat het altijd gaat om een aangifteloos delict,” legt Roel uit als we verder praten over de samenwerking met de handhavingspartners. “De nalevingscontrole ligt bij de verstrekker van de vergunning. De politie komt pas in actie na een overtreding.” In overleg met het bevoegd gezag, bijvoorbeeld de gemeente, en het Openbaar Ministerie wordt wel een sanctiestrategie besproken. “In het verleden kwam het nogal eens voor dat de gemeente daarbij terughoudend was met informatie omdat ze bang was dat ze het zelf niet goed had gedaan,” zegt Roel. “Denk maar aan Enschede en Volendam. De gemeente kan dan immers zelf wel eens onderwerp worden van een strafrechtelijk onderzoek. Dat vertrouwen is inmiddels wel veel beter.”
Waar zijn eigenlijk de grote strafzaken op milieugebied?,” vragen we Roel, Dit is immers het thema van één van de sessies op het congres Handhaven is Topsport! “Zijn die er nog wel?” “Die zijn er zeker nog wel,” antwoordt Roel. “De politie is er ook klaar voor. De opsporingsmethoden zijn enorm verbeterd. Informatie, bijvoorbeeld van de belastingdienst en de uitkeringsinstanties, is voor de politie toegankelijker geworden. Neem de aanpak van olielozingen op zee. Tot voor kort moesten we met een helikopter de boosdoeners op zee betrappen. Nu controleren we in de haven de olieboekhouding van de schepen. We zien meteen of ze olie in zee hebben geloosd. We pakken ze nu op een economisch delict.” Een mooi voorbeeld van creatief handhaven en van een strafzaak waarin milieu een onderdeel is van het dagelijkse politiewerk. Milieumensen hoeven niet meer te leuren met een Skoda. Gewoon doen en enthousiast worden vanuit de ervaring. Het parcours is de uitdaging.
"Handhaven is koorddansen met windkracht 10"
Naam: Rob Ernes
Functie: Hoofd Afdeling Handhaving
Waterschapsbedrijf Limburg
Leeftijd: 41
Burgerlijke status: Getrouwd, drie kinderen (7,10 en 12)
Relatie met sport: voorheen: kogelstoten, discuswerpen en pencak silat
nu: mountainbiken en met de hond wandelen
Dodelijke combinatie
'Hoe heet die sport?’ vragen we verbaasd. We zijn op visite bij Rob Ernes, hoofd Handhaving van het Waterschapsbedrijf Limburg, dat onder meer de vergunningverlening en handhaving voor het Waterschap Peel en Maasvallei en het Waterschap Roer en Overmaas uitvoert. ‘Pencak silat,’ antwoordt Rob. ‘Een levensgevaarlijke vechtsport waarbij je je tegenstander uitschakelt met snelle klappen op zijn zenuwpunten. ‘Als je er goed in wil worden,’ legt hij uit, ‘zul je een dodelijke combinatie van kracht, concentratie en snelheid moeten ontwikkelen.’ Hoewel het lang geleden is dat hij deze sport beoefende, is Rob nog steeds erg snel. Vooral met zijn antwoorden.
Rob Ernes heeft een bijzondere visie op handhaving. ‘Bedrijven hebben het eigenlijk maar makkelijk. Ze hebben maar twee belangrijke doelen: winst en continuïteit. Van ons wordt verwacht dat we de belangen van burgers, bedrijven en bestuurders in de gaten houden, dat we rekening houden met zowel economie als ecologie en dat we slagvaardig, consequent, transparant en betrouwbaar werken. Handhaven lijkt soms wel koorddansen met windkracht tien!’ Inderdaad, handhaven is topsport, denken wij dan.
Effectiviteit van de handhaving
Rob Ernes staat aan het hoofd van een afdeling van ruim 30 handhavers. In 1990 begint hij na de HTS-opleiding chemische technologie in Heerlen zijn carrière als milieucoördinator van een grote printplatenfabriek. Twee jaar later wordt hij aangenomen als senior inspecteur bij het Zuiveringschap Limburg en meteen voor een jaar uitgeleend als procestechnoloog aan de Afdeling Vergunningen. In 1997 wordt hij hoofd van de Afdeling Vergunningen en in 2002 hoofd van de Afdeling Handhaving.
Rob heeft meegemaakt dat de handhaving een ander gezicht kreeg. Van opleggende, repressief ingestelde overheid in de jaren negentig naar de overtuigende en stimulerende overheid van vandaag de dag. ‘We zijn geen politieagenten meer die onmiddellijk klaar staan met het bonnenboekje. We proberen onze klanten duidelijk te maken waarom ze zich aan de regels moeten houden. En dat lijkt te werken. Er worden aanzienlijk minder processen-verbaal uitgeschreven dan vroeger. Tien jaar geleden was dat 250 per jaar, nu zitten we op ongeveer 100 per jaar. De waterverontreiniging door puntbronnen is flink teruggedrongen. Ondernemers lijken zich meer bewust te zijn van de milieueffecten van hun handelen. Ze houden er meer rekening mee. Maar komt dat nu door de effectiviteit van de handhaving? Dat is moeilijk te zeggen. Misschien zijn de ondernemers wel slimmer geworden en zie ik de overtredingen niet meer. Hoe kom je daar nu achter? Kijk, het bestuur wil natuurlijk graag weten wat het effect is van de menskracht die op een bepaald terrein wordt ingezet. Wat dat betreft is het goed te vergelijken met meer blauw op straat. Als de politie op koopavonden twee extra agenten inzet in het centrum van een stad, hoe kan ik dan weten hoeveel extra vechtpartijen en diefstallen ik daarmee voorkomen heb? Daar is moeilijk of zelfs niet achter te komen.’
Ook al is het effect moeilijk te meten, Rob vindt het zichtbaar aanwezig zijn erg belangrijk. ‘Als je het aquatisch milieu kunt dienen door alleen maar met een paar auto’s met herkenbare stickers van het Waterschap erop, rond te rijden, moet je dat natuurlijk doen.’
Handhavers zijn geen robots
‘Als handhaven gereduceerd wordt tot een eenvoudige digitale wijze van uitvoeren, (onder het motto van: “als het groene lampje brandt, op het groene knopje drukken en als het rode lampje brandt, op het rode knopje drukken”), kan ik net zo goed 30 robots neerzetten. De moderne handhaving vraagt dan ook andere competenties van de handhaver,’ zegt Rob. ‘Vroeger moest een handhaver vooral voldoende technologische kennis in huis hebben. Tegenwoordig gaat het ook om sociale vaardigheden. Hij of zij moet zelfstandig kunnen werken, een goed analytisch vermogen en goede contactuele eigenschappen hebben. De handhaver moet mensen kunnen overtuigen maar hij moet ook om kunnen gaan met agressie en slecht-nieuwsgesprekken kunnen voeren. Ik pleit er dan ook voor dat handhavers naar een hoger bewustzijnsniveau getild worden. Daarmee bedoel ik dat elke stap in het handhavingsproces bewust genomen moet worden en er over nagedacht moet worden. Het mag geen mechanische handeling zijn.’
Voor deze moderne waterschaphandhaver is landelijk een nieuw functiewaarderingssysteem ontwikkeld. Daarin zijn veertien functiecompetenties (en bij het Waterschapsbedrijf Limburg nog zeven cultuurcompetenties) omschreven. Het gaat in het kader van dit interview te ver om hier uitgebreid op in te gaan maar Rob belooft er op het congres op 2 november iets over te komen vertellen. Wel wil hij nog kwijt dat hij van mening is dat het vak van handhaver zodanig gecompliceerd is geworden, dat een salaris, gelijk aan dat van een vergunningverlener, rechtvaardig is.
Integraal of goede specialisten?
Het Waterschapsbedrijf Limburg controleert bij 34 van de 47 Limburgse gemeenten de naleving van de Wet afvalwater. De gemeenten betalen daar het waterschapsbedrijf zo’n 120.000 euro per jaar voor. Maar is die aanpak niet een beetje in strijd met de ambities die de overheid heeft op het gebied van integrale handhaving en het verminderen van controlelasten bij bedrijven? Het houdt immers in dat er zowel handhavers van de gemeenten als van het waterschapsbedrijf komen controleren.
Rob zucht eens diep. ‘Tja, dat is een moeilijk verhaal. Ik heb laatst een vergadering bijgewoond van het project Integrale handhaving op het bedrijventerrein van Chemelot. Daar wordt één loket gecreëerd als aanspreekpunt voor de gehele overheid. Ik heb me daar naar mijn idee redelijk kritisch uitgelaten over het feit dat bedrijven roepen dat ze gek worden van al die controleurs die ze over de vloer krijgen. Ik heb Chemelot uitgedaagd dat dan maar eens te laten zien. Hoe erg is het nu werkelijk? Laat maar eens een lijstje zien met wie vraagt wat en hoe vaak komen ze. Ik heb nog geen antwoord op mijn vraag. Ik ben benieuwd.’
Rob verwacht dat de gemeenten nog meer een beroep zullen doen op het waterschap als straks het toezicht van de indirecte lozingen in het kader van de waterwet naar de gemeenten gaat. ‘Ik heb signalen gekregen dat gemeenten daar helemaal niet op zitten te wachten. Ze hebben daarvoor de kennis (nog) niet in huis en zullen straks de keuze moeten maken tussen of kennis in huis halen of kennis bij ons inhuren. Voor veel gemeenten is dat geen moeilijke keuze. Bovendien, de waterkwaliteit kan maar beter in handen blijven van de waterschappen.’
Rob is niet tegen integrale handhaving maar hij maakt zich wel zorgen over de gevolgen die het kan hebben voor de kwaliteit van de handhaving. ‘Als één handhaver alles bij een bedrijf moet gaan controleren, moet dat wel een schaap met vijf poten zijn. Ik zie niet in hoe alle milieuaspecten door één en dezelfde persoon kunnen worden gecontroleerd. Denk alleen al aan geluid, dit is een te specifieke en complexe materie om er maar even bij te doen als handhaver.
In Limburg is het ook zeker niet zo dat de gemeentelijke en provinciale handhavers en waterkwaliteitsbeheerders bij veel dezelfde bedrijven komen. Er is wel wat overlap in het bedrijvenbestand, zoals bijvoorbeeld de autoslopers, maar verder valt dat heel erg mee. En dan blijkt ook nog dat wij er maar één keer in de drie à vier jaar komen, terwijl de provinciale handhaver daar jaarlijks of meerdere keren per jaar komt. Waar hebben we het eigenlijk over? Integrale handhaving moet geen doel op zich worden.’
Creatief handhaven
De regels die in Den Haag worden opgesteld, zijn niet altijd even gemakkelijk te handhaven. Zo is er voor de landbouw een regel die zegt dat een agrariër niet binnen een strook van bijvoorbeeld vijf meter (afhankelijk van het gewas) van een sloot bestrijdingsmiddelen mag spuiten. Op zich een duidelijke regel. Maar de handhaving daarvan wordt bemoeilijkt door een uitzondering op die regel. Met een speciale spuittechniek mag het weer wel. Dat betekent dat een opsporingsambtenaar de agrariër alleen kan controleren als deze daadwerkelijk aan het spuiten is. Het vereist wel wat creativiteit van de handhaver om het naleefgedrag van deze regel te controleren.
Deze regel is inderdaad repressief bijna niet handhaafbaar,’ zegt Rob. ‘Maar we hebben er wel wat op gevonden. Tijdens het spuitseizoen gaan we letterlijk langs de beken lopen om te kijken waar de gewassen binnen die strook van vijf meter van de beek staan. Als dat het geval is, spreken we de betreffende agrariër daar op aan en proberen hem te overtuigen dat hij dat moet aanpassen.’ Maar de agrariër kan natuurlijk zeggen dat hij dat niet hoeft omdat hij die speciale spuittechniek gebruikt. ‘Dat kan wel maar het is allereerst de taak van de handhaver dat hij uitlegt waarom die agrariër te dicht bij de beek staat met die gewassen. Overtuigen dus.’
Dat is mooi maar blijft alsnog wel de vraag wat je doet met de agrariërs die zich er weinig van aantrekken? ‘We hebben daar nog geen ervaring mee maar we hebben wel een plan. Die agrariër die de regel overtreedt, denkt dat wij een acht-tot-vijf cultuur hebben en zal dus juist vroeg in de ochtend of na het avondeten gaan spuiten. Hij zal raar op staan kijken als hij ons juist op die tijden langs ziet komen.’
Overigens...,’ voegt Rob hier aan toe ‘....dit soort regels zijn eigenlijk veel te gedetailleerd. Die agrariërs weten ook niet meer of ze nu wel of niet in overtreding zijn. In veel gevallen beëindigen ze meteen het spuiten zodra ze een auto langs de weg zien stoppen, terwijl ze helemaal niets verkeerd doen. Eigenlijk ben je als overheid dan toch jarenlang verkeerd bezig geweest. Als je de mensen zo de stuipen op het lijf jaagt, dan heb je als overheid eigenlijk gefaald. Ze denken dat wij er op uit zijn om ze te pakken. We moeten er nog veel aan doen om dat beeld te veranderen. De groep die de regels bewust niet naleeft, is maar klein, maximaal zo’n vijf procent, schat ik.’
Sinds kort zet het waterschap ook helikopters in om het toezicht te vergemakkelijken. ‘Het is wonderbaarlijk hoeveel je dan in korte tijd kunt zien. Je ziet in een oogopslag waar een mesthoop te dicht bij een beek ligt of waar er lozingen op het oppervlaktewater plaatsvinden. We maken foto’s van de situaties die we tegenkomen en nemen die mee naar de bedrijven.’ Over effectief en creatief handhaven gesproken.
Genuanceerde nalevingsindex
We nemen nog even de monitoring van de handhavingsactiviteiten van het waterschapsbedrijf door, die we op de website van het waterschapsbedrijf aantroffen, en komen tot de verrassende conclusie dat Rob een geheel andere definitie van nalevingspercentage hanteert dan andere handhavingsinstanties. Hoe zit dat? ‘Wij meten het naleefgedrag alleen bij integrale inspecties, waarbij dus alle vergunningsvoorschriften worden gecontroleerd, inclusief de aanvraag. Het naleefpercentage is het aantal nageleefde regels gedeeld door het aantal gecontroleerde regels, maal honderd procent. Landelijk wordt onder een naleefpercentage van 90% verstaan: bij 90% van de controles heb ik geen overschrijding geconstateerd. Maar wat heb ik aan zulke getallen, dit is een te digitale invulling van een controle, het is helemaal goed of helemaal fout.’
Maar als iedere handhavingsinstantie zijn eigen definitie hanteert, dan kunnen deze toch niet landelijk met elkaar worden vergeleken? Hij erkent het probleem, maar … ‘We generen operationele informatie die voor ons van belang is. Informatie die wij hebben liggen, mogen ze van me hebben, maar ik ga geen gegevens bijhouden die voor mij geen toegevoegde waarde hebben omdat één of ander orgaan daar behoefte aan heeft.’
Handhavers hebben geen lijst nodig
Ook over kernbepalingen maakt Rob weinig woorden vuil. ‘De lijst met kernbepalingen is er wel, maar die mag van mij eigenlijk in de vuilnisbak. Competente handhavers hebben echt geen lijstje nodig. Het is eigenlijk denigrerend om handhavers zo’n lijstje mee te geven. Het getuigt van wantrouwen ten aanzien van de regionale handhaving. Wij werken er overigens wel mee. We passen ons wel aan. Maar ik vind de lijst ook nog eens onvolledig. Er ontbreken een aantal fundamentele zaken, zoals een legalisatietoets en verwijtbaarheidtoets............’
Een beetje verbouwereerd verlaten we Roermond. Onze oren klapperen nog na van de oneliners van Rob Ernes. Maar ook met een goed gevoel. We hebben wel respect voor een hoofd Handhaving die nadenkt over de essentie van handhaven en zegt wat hij denkt.
“We willen de ramp voorkomen die net gebeurd is.”
"We willen de ramp voorkomen die net gebeurd is."
Naam: John Visbeen
Functie: Hoofd Bureau Handhaving, Afdeling Milieubeheer,
Provincie Flevoland
Leeftijd: 41
Burgerlijke status: Getrouwd, 5 kinderen waaronder 1 topsporter
Relatie met sport: voormalig honkballer.
Hij was zelf een fanatieke honkballer. Nu honkbalt een van zijn kinderen als beloftevolle speler in het Nationaal team en reist de hele wereld over. “Topsporter word je dankzij een combinatie van talent en karakter,” zegt John. “En talent moet je tot z’n recht laten komen, zo goed mogelijk begeleiden.” Aan het woord is een vader maar ook de leidinggevende van zeventien milieuhandhavers. Want wat voor zijn zoon geldt, geldt in zekere zin ook voor hen.
John Visbeen begint na zijn VWO aan de Pedagogische Academie maar merkt na anderhalf jaar dat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt. Hij loopt op een zaterdagmorgen door Rotterdam, ziet een politiebusje met loeiende sirene door de straat rijden en denkt: “Dat wil ik ook!” Ondanks dat het een zaterdag is, gaat hij onmiddellijk naar het hoofdbureau van de politie. Twee maanden later zit hij op de politieschool.
Acht jaar lang is hij straatagent in Rotterdam. Hij wordt taakaccenthouder milieu, vervolgens districtsmilieucoördinator en vrij snel daarna werkt hij bij het Regionaal Bureau Milieuzaken van Rotterdam-Rijnmond. Daar is hij betrokken bij de afhandeling van de zogenaamde CMI-brand in 1996. Een opslagloods met gevaarlijke stoffen aan de Keilehaven gaat in vlammen op. Het is niet bekend wat er in de loods zit. Gelukkig staat de wind gunstig en vallen er geen slachtoffers. Deze brand is de aanleiding voor de augustusbrief van de drie ministeries VROM, V&W en Justitie over de structuur en de cultuur van de milieuwethandhaving. De samenwerking op het gebied van de milieuwethandhaving krijgt vanaf dat moment veel aandacht.
John Visbeen gaat naar het Nederlands Politie Instituut en werkt daar mee aan de opzet van het informatie- en expertisecentrum milieu. “Dat waren mooie tijden,” zegt hij nu. “Ik was daar op het juiste moment op de juiste plaats. Als ambassadeurs trokken we door het hele land. We organiseerden themadagen, soms met wel 300 deelnemers.”
In dezelfde tijd maakt hij zijn rechtenstudie af. Zijn interesse ligt met name op het gebied van staats- en bestuursrecht. Hij wordt coördinator Servicepunt Milieuwethandhaving voor de regio Flevoland en daarna al vrij snel afdelingshoofd milieusamenwerking Flevoland waar het servicepunt is ondergebracht.
In de milieusamenwerking wordt al in 2001 een integratieslag gemaakt. Het milieutoezicht wordt gekoppeld aan de gebruiksvergunning. “Een hele logische combinatie,” volgens John. “Dat betekent een nauwe samenwerking met de brandweer. We hebben service level agreements afgesloten, waardoor het helder is wie wat doet. Dit werkt heel zuiver en is uitermate praktisch, bijvoorbeeld bij het controleren van horeca-gelegenheden.”
In 2003 wordt John Visbeen hoofd Handhaving van de Provincie Flevoland. De grootste uitdaging in zijn huidige werk is de integrale verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving. Van het controleren van bedrijven tot het adviseren van de bestuurder over handhavingdilemma´s. Dat de handhavingsorganisatie in Flevoland daarbij wat kleiner en overzichtelijker is dan in andere provincies, is een voordeel. “Je blijft direct betrokken bij zaken en de afstand tussen de toezichthouder die een overtreding constateert en het bestuur dat een besluit neemt is klein. We scoren de bedrijven in principe ieder jaar en daar komt een prioriteitstelling en controlefrequentie uit. Per bedrijf maken we aan het begin van het jaar afspraken over kwantitatieve en kwalitatieve doelen. De betrokken handhaver stelt vast wat hij of zij dat jaar wil bereiken met dat bedrijf, of in een branche. Dat kan betekenen dat een bedrijf vier of vijf keer gecontroleerd moet worden. Maar het kan ook betekenen dat er na een controle helemaal geen overtredingen zijn geconstateerd en het bedrijf langere tijd met rust wordt gelaten. Een dergelijk bedrijf wordt beloond voor goed naleefgedrag. Op deze manier wordt de meest actuele kennis van de toezichthouder goed gebruikt naast het meer theoretisch model.”
Naast aantallen controles wordt gestuurd op naleefgedrag. “Het doel van handhaven is zorgen voor naleving. Daarmee leveren we een bijdrage aan een schoner milieu, maar begin er niet aan dit te kwantificeren.” Uiteindelijk wordt gestreefd naar een naleefgedrag van 95 procent na de hercontrole. Bij de overige 5% wordt bestuursrechtelijk opgetreden. Het betreft hier overigens allerlei soorten bedrijven, van autosloperijen en zwembaden tot intensieve landbouwbedrijven. “We doen naast de wet Milieubeheer, ontgrondingvergunningen, de Grondwaterwet en de groene handhaving (Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet). We hebben drie groene handhavers in dienst die zorgen voor het toezicht op en rond de Randmeren. Daar komt in de toekomst mogelijk ook het toezicht voor het Markermeer en het IJsselmeer bij.”
John heeft veel profijt van zijn politie-ervaring, zegt hij zelf. “Een politieman heeft altijd een gezonde mate van achterdocht. Uiteraard moet je uitgaan van de goede intenties van bedrijven. Bedrijven willen innoveren, zich ontwikkelen. Daarbij moet je uitgaan van wat kan. Je moet belangen afwegen. Je gaat in overleg met het bedrijf. Als je iets constateert wat niet kan, schrijf je een waarschuwingsbrief. Je geeft het bedrijf de ruimte om te verbeteren. We streven er dus naar dat 95% van de overtredingen op deze manier wordt opgelost en dat je geen dwangmiddelen hoeft in te zetten. Ik heb waardering en soms bewondering voor de toezichthouders die op basis van argumenten in staat zijn de bedrijven ook op deze manier te bewegen tot naleving. Maar je moet ook niet te naïef zijn. Door mijn politieverleden heb ik nog wel eens de neiging om op basis van bepaalde informatie de toezichthouder door te laten rechercheren.”
Op alle fronten, ook nu in het kader van de Toekomst Agenda Milieu, wordt gesproken over de kwaliteit van handhaving. Veelal wordt gezegd dat dit naar hoger niveau moet, maar dan denkt John: “Over wie gaat het nou? Wie gaat er dan slecht? En wat moet er dan veel beter?” Hij vindt dat er vaak in algemeenheden wordt gepraat, maar denkt gelijk aan de mensen waarmee hij heeft gewerkt en nu werkt. Medewerkers met een Universitaire, HBO- of MBO- opleiding, die cursussen volgen om in hun vakgebied bij te blijven en die vaak vele jaren ervaring hebben opgebouwd. “Als relatief kleine organisatie huren we kennis of vaardigheden in die we niet zelf in huis hebben als dat nodig is. Wij hebben te maken met de realiteit van alle dag en op grond van onze ISO-norm hebben we een continu proces van verbeteren georganiseerd. Er zal ongetwijfeld wel een keer iets niet goed gaan, maar heel veel dingen gaan wel goed. Ook handhaving blijft mensenwerk. Wat je vaak ziet is dat we de ramp willen voorkomen die net gebeurd is.”
John Visbeen is zeer geïnteresseerd in de nuance van de bestuursrechtelijke aanpak. Over het werken met kernbepalingen heeft hij een eigen mening. En wie kan het beter weten dan de ex-politieman die als voormalig strafrechtelijk handhaver nu vooral bestuursrechtelijk optreedt? “Natuurlijk moet er een kader zijn. Maar het concreet invullen daarvan moet je binnen de regionale samenwerking met bestuurders, het Openbaar Ministerie en de politie bespreken. We hebben ons in Flevoland beperkt tot het werken met zes kernbepalingen. Als die in Flevoland worden overtreden, dan is het ook logisch dat er strenger wordt opgetreden. Het draagvlak voor dit soort instrumenten moet je regionaal voor elkaar zien te krijgen. Daarvoor heb je de bestuurders nodig. Ik durf te zeggen dat we het binnen Flevoland met alle partners goed geregeld hebben en dat het werkt. Ik geloof niet in lange lijsten met kernbepalingen. Dit past overigens ook niet op de folder die we aan de bedrijven geven.”
“Voor mij is het een uitdaging om voor de komende jaren duidelijke doelstellingen te formuleren over het verminderen van toezichtlasten voor bedrijven. Daarbij kan je denken aan het aantal bezoeken en de tijdsduur per bezoek. Daarbij zou je eigenlijk moeten kunnen zeggen dat er geen toezichtsinstantie bij bedrijven komt zonder dat dit met de provincie of gemeente als bevoegde gezag is afgestemd. Bevoegd gezag wordt daarmee een soort regisseur over toezichtsactiviteiten bij een bedrijf en daarmee krijgt de samenwerking tussen partners nog meer betekenis en kan de vrijblijvendheid er nu eens echt af. Ik zie daar ook een belangrijke rol voor de Samenwerkingsknooppunten. Eén handhavingsdienst, zoals kamerlid Aptroot van de VVD dat wil, is een mogelijke oplossing maar in mijn ogen niet noodzakelijk. Als je maar met elkaar wil praten en intelligent met elkaar samenwerkt.”
Herman Jansen
Koos Meijer
.More .fun .at .work
